22 augustus 1791: het kruitvat ontbrandt

U moet minsten één trefwoord met 3 of meer karakters opgeven.

De voodoo-ceremonie van Bois Kayman.

De slavenopstand

In ons vorig dossier (Lambi 10, juni 2002) zagen we dat de levensomstandigheden van de zwarte slaven op Saint-Domingue verre van rooskleurig waren. Gedurende de gehele achttiende eeuw hadden sommigen daarom al geprobeerd om uit lijfsbehoud van de plantage weg te lopen en in een soort alternatieve maatschappij als marrons verder te leven.

Echte opstanden waren er echter nauwelijks geweest, behalve een poging in 1691 te Port-de-Paix en een andere in 1704 te Cap Français. In 1758 had natuurlijk de affaire-Macandal plaatsgevonden, maar het koloniaal bestuur had toen krachtig ingegrepen.

Een achtergrond van angst

De blanke plantage-eigenaars waren er echter sinds die laatste datum niet echt meer gerust in. Rond 1775 verspreidde zich daarenboven vanuit Frankrijk reeds het gerucht dat alle slaven hun vrijheid zouden krijgen. Dit zou natuurlijk een aanslag op de koloniale orde betekenen. Pas aangekomen blanken werden door de planters dan ook met een scheef oog bekeken, want men vreesde dat het wel eens provocateurs uit het moederland konden zijn die op de plantages onrust kwamen stoken. In het jaar 1789 werden die geruchten nog veel concreter omdat in Frankrijk de grote Revolutie was uitgebroken, met de niet mis te verstane slogan “vrijheid, gelijkheid, broederlijkheid”. Toen in 1791 in het Noorden een opstand van de zwarten uitbrak, konden vele blanke planters nauwelijks geloven dat de slaven zelf het heft tot hun bevrijding in handen hadden genomen. Men sprak nog steeds van een door blanke criminelen minutieus voorbereid complot, waarbij de zwarten de volgzame uitvoerders zouden zijn geweest.

14 augustus: Bois Cayman

De zwarten hadden zich nochtans wel degelijk zelf georganiseerd. Boukman, een slaaf, had al maanden aan een stuk op de plantages van het noorden de opstand gepreekt. Op 14 augustus kwamen een tweehonderdtal afgevaardigden van de slaven samen in het Bois Cayman in de buurt van Morne-Rouge om er in een heilige eed van trouw aan mekaar de opstand voor te bereiden. De woorden die Boukman tijdens die bijeenkomst uitsprak zijn voor altijd de geschiedenis van Haïti ingegaan:

De Heer, die de zon gemaakt heeft die
op ons schijnt
en die oprijst uit de zee,
Die de stormen laat grommen
en die de donder bestuurt,
de Heer is verborgen in de hemelen
en daar waakt hij over ons.
De Heer ziet wat de blanken hebben gedaan.
Hun God beveelt de misdaden
de Onze geeft ons zegeningen.


De zwarten nemen wraak op de blanken ...

De Goede God (= de Onze) heeft wraak uitgevaardigd
Hij zaL sterkte geven aan onze armen
Haal de god van de blanken neer
omdat hij het is die tranen uit onze ogen doet vloeien
Luister naar de vrijheid
die nu spreekt in al onze harten….

Afrikanen nemen hun lot in eigen handen

Tijdens deze plechtigheid, die tegelijk een voodooceremonie was, werd als teken van verbondenheid het bloed van een offerdier gedronken. Men zou mekaar in de strijd niet in de steek laten. De Haïtiaanse historicus Dantès Bellegarde beschrijft de gebeurtenissen als volgt: “Alvorens afscheid te nemen, ging men over tot een geweldige ceremonie. De regen viel met bakken uit de hemel. Terwijl de donder gromde en de bliksems de hemel verlichtten, voegde zich een grote negerin bij het gezelschap. Zij zwaaide een lang, puntig mes boven haar hoofd en, een Afrikaans lied zingend, voerde ze een macabere dans uit. De anderen beantwoordden het lied in koor en wierpen zich uitgestrekt op de aarde neer. Vervolgens werd een zwart varken tot bij haar gebracht. Zij plofte het mes in de buik van het dier en het dampende bloed werd in een houten beker opgevangen. Alle genodigden dronken ervan. Op een teken van deze priesteres knielden allen neer en zwoeren blindelings de orders van Boukman te gehoorzamen. Hij werd daarbij uitgeroepen tot algemeen leider van de opstand. Zelf benoemde hij Jean-François Papillon, Georges Biassou en Jeannot Bullet tot zijn voornaamste luitenanten.”

Van de bovenstaande gebeurtenis bestaan een aantal varianten, al naar gelang de historische invalshoek. Toch mag volgens meer recent onderzoek de versie van Bellegarde nog steeds als representatief beschouwd worden. Daaruit blijkt duidelijk het Afrikaans karakter van het gebeuren.

De eed van trouw kwam toen in vele West-Afrikaanse culturen voor en we mogen niet vergeten dat in 1791 ongeveer 60% van de slaven nog in Afrika geboren was.

Uitzinnige wraak

In de nacht van 22 augustus kwam dan de grote uitbarsting. In het noorden van Saint-Domingue verscheen aan de horizon een wal van vuur. Het leek alsof de bergen vuurspuwende vulkanen waren geworden. De parel van de Antillen stond letterlijk in brand! Gruwelijk was wat het daglicht na de vuurnacht onthulde. Vernielde huizen, gebouwen, manufacturen. Gegil en gekerm van mensen. Vijftigduizend slaven hadden onder leiding van hun opperbevelhebber Boukman weerwraak genomen voor de vele jaren van vernedering, marteling en terreur.


... waarna de blanken op hun beurt weer wraak nemen.

Blanken waren uit hun huizen gesleept en werden één voor één door uitzinnige zwarten de ledematen uitgerukt. Ze hingen hen op aan ladders en schoten net zo lang met hun eigen geweren op hen tot er slechts een verfomfaaide vleesmassa over was. Ze legden hen op houten bokken en zaagden hen doormidden. Deze marteling was de specialiteit van Jeannot, één der luitenanten. Ze onthoofden de kinderen en staken de ledematen als trofeeën op stokken. Jonge meisjes werden voor de ogen van de moeders verkracht en vermoord, daarna ondergingen de moeders hetzelfde lot. Ook de slavinnen namen aan de mishandelingen deel. Ze folterden de blanke planters die hen zo dikwijls hadden getreiterd en verkracht. Lijken werden naar de negergoten gesleept, de kuilen waar zwaar zieke slaven door planters in werden gegooid omdat ze toch niet de moeite waard waren geweest om normaal te worden verzorgd of begraven.

Dagenlang duurde de wraakoefening. Tweeduizend blanken werden gedood, honderdtachtig suikerplantages en negenhonderd koffieplantages vernield.

De planters reageerden

De blanken sloegen terug, bijna nog gruwelijker en willekeuriger dan de zwarten.

In een tegenterreur, die drie weken zou duren, werden twintigduizend negers en mulatten vermoord. Elke zwarte die ze te pakken konden krijgen, werd letterlijk afgeslacht. De planters plaatsten tientallen hoofden van slaven op staken rond hun plantages.

En welke rol speelde de katholieke kerk in die woelige dagen?

Een interessant historisch gegeven is dat de blanke katholieke geestelijkheid van het noorden voor een groot deel de kant van de slaven heeft gekozen tijdens de opstand. Sommigen hebben zich ten dienste gesteld als onderhandelaars tussen planters en slaven, anderen hebben de opstandelingen actief gesteund. Van de 24 parochiepriesters zouden er 16 een beslissende rol hebben gespeeld. De clerus werd trouwens door veel andere blanken verantwoordelijk gehouden voor de rampen die over Saint-Domingue neerkwamen. Men kon immers maar niet geloven dat de zwarten vanuit zichzelf een drang tot bevrijding zouden gehad hebben.

Zo was er het geval van Philémon, pastoor te Limbé, die van bij het begin van de opstand als een soort aalmoezenier bij de slaven bleef. Hij werd gevat en te Cap Français opgehangen. Zijn hoofd werd in de buurt van dat van Boukman tentoongesteld om als het ware de band die tussen die twee bestond in het belachelijke te trekken.

Pater Cachetan, pastoor te Petite Anse, stelde zich ook veel te solidair met de opstandelingen op. Ook hij werd gevat, maar hij werd niet terechtgesteld, doch naar Frankrijk teruggestuurd.

Deze voorbeelden mogen ons niet doen vergeten dat de officiële katholieke kerk tot dan toe nog nooit de slavernij of de slavenhandel had veroordeeld. Nochtans waren sommige parochiekerken voor de slaven toen reeds oorden van bezinning op hun situatie.

De zwarten bleven niet doof voor een verhaal als de uittocht uit Egypte of voor de opvatting dat geestelijk heil was weggelegd voor alle mensen zonder enig onderscheid. Hun interpretatie van de bijbel kwam in botsing met de officiële lezing. Het lijkt er sterk op dat we hier een soort bevrijdingstheologie avant la lettre hebben en dat niet alleen de voodoo een religieus fundament voor de revolte heeft geboden.

Zij richtten kruisen op waaraan de gefolterde zwarten moesten sterven. Slachtoffers werden in Cap Français in de straten opgehangen, op pleinen voor de huizen werden ze aan raderen vastgebonden en geradbraakt. Ondertussen trok het opstandelingenleger nog dagenlang zigzag verder over de vlakten van het noorden. Sommige groepjes sloten zich aan bij marrons die al jaren op de vlucht leefden.

Bij een aanval op Cap Français werd ook Boukman, de opperbevelhebber van de opstandelingen, gevangen genomen. Hij werd doodgemarteld en zijn hoofd werd op een staak boven een poort van de stad tentoongesteld. Er hing een bordje aan met de tekst: “Kop van Boukman, hoofd van de rebellen”. Volgens een ooggetuige had het hoofd van de dode een intense uitdrukking bewaard. De ogen waren open en fonkelden nog na, alsof ze de slaven het signaal wilden geven tot een nieuwe opstand.

Het leger van de slaven

Jean François en Biassou werden nu hoofdaanvoerders van de slaven. De te wreedaardige Jeannot werd opzijgezet. Jean François was een marron met een zekere intellectuele bagage en Biassou was in Cap Français opgegroeid bij de paters van de christelijke liefdadigheid, die de reputatie genoten dat van alle slaven op de Antillen de hunne het langst leefden.

Het slavenleger was geen mooi leger: het ging gehuld in lompen. Slechts één op de drie strijders beschikte over een vuurwapen. De rest moest het stellen met messen, gepunte stokken, uit de huizen van de planters geroofde oude sabels en zwaarden. Alleen de officieren – één op de vijf slaven noemde zichzelf officier – beschikten over paarden. In hun strijd vermeden ze nagenoeg altijd een direct treffen met de vijand. Ze stuurden vrouwen en kinderen vooruit. Deze zongen luid en dansten, zwegen dan echter plotseling en verdwenen in bossen en struiken. Na deze angstaanjagende stilte werd de tegenstander door vele kleine groepjes herhaaldelijk bestookt, terwijl de vrouwen en kinderen hun lugubere afwisseling van lawaai en stilte verder zetten.

Door deze guerrillatactieken kregen de blanken het gevoel tegenover een geweldige overmacht te staan. De zwarten werden nu stilaan de protagonisten van steeds meer uitdeinende acties.


Het hoofd van Boukman, tentoongesteld om mogelijke navolgers te ontmoedigen.

Pogingen tot onderhandeling

In november-december 1791 begonnen de leiders van de opstand echter al te beseffen dat bij de terugkeer naar een stabiele toestand in het land een totale en onvoorwaardelijke afschaffing van de slavernij misschien niet haalbaar zou zijn. Weliswaar hadden de zwarten de productiemiddelen van vele plantages vernield en waren ze niet bereid hun nieuwe vrijheid zo maar terug in te leveren, maar ze waren slecht voorbereid voor een totale breuk met het verleden.

Als antwoord op een proclamatie van gouverneur de Blanchelande, die de slaven verzocht had naar hun plantages terug te keren, verontschuldigden ze zich bijna voor de opstand: “Ze hadden niet gehandeld uit gebrek aan respect, maar om te ontsnappen aan de ondraaglijke tirannie van hun meesters. Hun respect mocht echter niet als een teken van zwakheid worden gezien. Ze hadden nog ammunitie en kanonnen en hun devies bleef de vrijheid of de dood!”

Jean François stond nu voor de verantwoordelijkheid om de voorwaarden voor een eventuele vrede uit te werken zonder de zaak van de slaven al te veel te verraden. Daarom stuurde hij een boodschap naar de Assemblée Coloniale. Hij vroeg daarin onder andere onvoorwaardelijke amnestie voor alle slaven die aan de opstand hadden deelgenomen, de vrijheid voor ongeveer 400 officieren en de afschaffing van de zweep en het “cachot” als straf voor de zwarten.

In ruil beloofde hij zijn invloed te laten gelden om de slaven naar hun plantages te laten terugkeren en om een aantal gevangenen vrij te laten. Biassou, toen tweede in bevel, ging hiermee niet akkoord. Hij was veel minder geneigd om toegevingen te doen. Maar na een tijdje zag hij in dat het onder de gegeven omstandigheden misschien beter was geen te hoge eisen te stellen. Er kwam echter geen reactie van de Assemblée en later ook niet van de Commissie die uit Frankrijk was overgekomen. Het werd meer en meer duidelijk dat de begonnen strijd nog steeds met de wapens zou worden verdergezet. Op dat ogenblik voegde zich een zekere Toussaint Louverture bij de opstandelingen. Over hem en over hoe Saint-Domingue uiteindelijk zou uitgroeien tot de onafhankelijke staat Haiti berichten we in ons volgend historisch dossier.

Paul De Wolf
1 september 2002

Meer artikels uit deze Lambi