Er verandert zo weinig en toch!

U moet minsten één trefwoord met 3 of meer karakters opgeven.

Tijdens mijn bezoek in de tweede helft van februari 2010, waren de mensen nog zwaar onder de indruk van de aardbeving die hen overviel op 12 januari. Toch begon toen al het dagelijks leven op gang te komen, ondanks de tentenkampen her en der in Port-au-Prince en de latere naschokken. Door deze naschokken durfden mensen niet meer binnen te slapen. Ook als hun huis intact bleef, sliepen ze in tenten en onder zeilen.

Acht maanden later: wat ik zie is erg ontgoochelend

De stad leeft weer volop. Dat merk je aan de filevorming: anderhalf uur aanschuiven over 15 km is helemaal niet uitzonderlijk en dat ligt niet aan de slechte staat van de weg, al nemen de putten toe. Straten liggen er zeer vuil bij, ook al staan er afvalcontainers.

Veel ingestorte of niet te herstellen woningen staan er nog steeds bij zoals in februari. Puin ligt op veel plaatsen tot halverwege de straat. Geen bulldozers of kranen en vrachtwagens in het straatbeeld, ook niet meer de mensen in herkenbaar T-shirt in ‘cash for work’ programma’s, die als mieren grote ingestorte gebouwen met handwerktuigen te lijf gingen.

De tentenkampen zijn er nog steeds: op openbare pleinen, op speelplaatsen van scholen en universiteiten. Het is alsof niemand de verantwoordelijkheid durft te nemen om wat dan ook te doen, de kampen lijken er wel voor altijd.

De problematiek van de tentenkampen

Ik bezocht het kamp van Coraille. Het ligt 15 km buiten de hoofdstad op weg naar de Plateau Central, in een dor landschap waar enkel doornig struikgewas gedijt. Geen boom te bespeuren. Ondanks de vele tekortkomingen: toiletten te dicht bij de tenten, geen onderwijsvoorzieningen, geen elektriciteit, de grote afstand tot de stad, de troosteloze boom en schaduwloze omgeving, wordt dit kamp beschouwd als het beste onder de vele kampen.

De tenten zien er inderdaad degelijk uit en zijn vrij groot. Ze zijn geordend en met enige afstand tussen de rijen opgezet. Er zijn afwateringskanalen, er is een vorm van straatverlichting voorzien. Het is één van de weinige kampen die verplaatst werden. De oorspronkelijke plek in Pétionville, was hellend en de afwatering te problematisch.

Het is bijna het einde van het regen- en orkaanseizoen. Toch worden nu pas de eerste prefabhuisjes in het kamp in elkaar gezet. De huisjes zijn ongeveer 4 op 4 m, muren lijken een soort ytongpanelen, metalen golfplaten op het dak, een deur en twee vensters in hout.
In deze éénkamerhuisjes leven 4 tot 8 mensen. Beter dan een tent wellicht, maar een woning kan je dit niet noemen.

Toegegeven, de situatie is heel complex. Wellicht zien de hulporganisaties, zoals Oxfam, Worldvision en Unicef, dit als een tijdelijk verblijfje. Het is niet de bedoeling dat de mensen er zich echt installeren, maar hun leven weer in handen nemen en zich langzaamaan op hun vroegere plek vestigen. Dit was ook één van de redenen om de voedselbedeling einde maart al te stoppen. De vraag is echter of die vroegere plek leefbaar was en of deze mensen de middelen zullen vinden om terug iets nieuws te bouwen. Ik voel aan dat dit min of meer een definitieve vestiging wordt, eentje in weinig benijdenswaardige omstandigheden.

Opvallend is ook, dat rondom dit kamp, tegen de hellingen aan, kleine optrekjes worden opgetrokken in allerlei materialen en kleuren. Het blijken mensen te zijn die wegtrokken uit de sloppenwijk Cité Soleil. Ze hopen door zich daar naast het kamp te vestigen, ook hulp te ontvangen. Zo zien de hulporganisaties dat echter niet en het leidt weer tot spanningen tussen de bewoners in het officiële kamp en die van daarbuiten. Waarnemers merken op dat de mensen daar beter wonen dan in Cité Soleil. Maar de afstand tot de stad, waar de meesten in het informeel circuit werken, is groot. Op deze manier kruipt een flink deel van hun inkomsten in het pendelen.

Nog dagelijks keren mensen terug uit het binnenland, waar ze in hun wanhoop na de aardbeving naartoe trokken. Blijkbaar keren enkelen onder hen met meer volk terug dan ze vertrokken, in de hoop op die manier ook meer hulp te krijgen. Perversies die in deze moeilijke leefomstandigheden ontstaan en waar hulporganisaties ook mee moeten omgaan.

Nakende presidentsverkiezingen

Slechts weinigen in de staatsdiensten zijn nog gemotiveerd om hun best te doen. Na de verkiezingen is de kans immers groot dat zij niet meer op dezelfde post zitten. Ze zijn dus vooral bekommerd om hun eigen zaakjes te regelen.

Er zijn opvallende veel geelgroene affiches en spandoeken in het straatbeeld van INITE, de partij met presidentskandidaat Jude Celestin. INITE is de partij van de huidige president René Préval en Celestin is zijn schoonzoon. Hoever zijn we dan de Duvaliers voorbij? Bij de grote afwezigheid inzake beleid steekt de grote honger naar de macht wel heel sterk af.

Toch staat bij de laatste peiling Jude Celestin slechts op positie drie, na Myrlande Manigat – de vrouw van een ex-president – en de industrieel Baker. Niemand gelooft dat er met deze verkiezingen iets zal veranderen. Integendeel, het wekt frustratie op te zien dat er niets gebeurt, zoals de mensen die ik ontmoet mij vertellen. Toch worden er weer tientallen miljoenen dollars (27 miljoen US$ is reeds beschikbaar) aan de organisatie van de verkiezingen besteed … verkiezingen waarvoor? Er heerst veel pessimisme en volgens sommige waarnemers zouden de frustraties wel eens kunnen leiden tot gewelddadigheid tijdens en na de verkiezingen. Veel mensen verloren hun identiteitskaart tijdens de aardbeving en ontvingen nog geen nieuwe. Waar zullen de mensen uit de tentenkampen kunnen stemmen? Na zondag 28 november zullen we wijzer zijn.

Onwaarschijnlijk uiteenlopende realiteiten in Port-au-Prince.

De eerste schooldag, maandag 4 oktober, was helemaal niet druk. De aardbeving was voor veel ouders een grote financiële aderlating. De regering heeft geen enkel decreet uitgevaardigd rond wat scholen al dan niet kunnen vragen aan de ouders, ook wat het schoolgeld betreft. Het is duidelijk dat nogal wat scholen de geleden schade willen inhalen. Minder kinderen zullen dit jaar naar school kunnen. De levensduurte zelf is immers ook sterk gestegen. Hoe lang kunnen mensen dit allemaal blijven bolwerken met salarissen die gelijk blijven of slechter nog, met de schamele inkomsten uit kleine informele jobs.

Intussen legt een Japanse maatschappij die TELECO, het commucatiebedrijf van de overheid, overnam, wel glasvezelkabel om zijn klanten de best mogelijke kwaliteit te bieden…

Onze partnerorganisaties aan het werk

In deze context van stuurloosheid en een alles behalve gemotiveerde overheid, hebben onze partnerorganisaties zich grotendeels hersteld na de aardbeving. Bijna allemaal hebben ze een nieuwe kantoorruimte kunnen vinden, hebben ze hun oude materialen, vooral archieven en harde schijven uit pc’s kunnen recupereren, hebben ze nieuwe uitrusting aangekocht en hebben hun werk weer helemaal opgenomen.

Het is verwonderlijk met welke dynamiek ze er weer tegenaan gaan. Slechts enkele kadermensen zijn weg gegaan. Sommigen naar de VS of Canada, waar ze nu makkelijker terecht konden dan voor de aardbeving, anderen zijn voor de internationale organisaties gaan werken die volop rekruteren en zeer goed betalen. Maar het zijn er toch weinig. Slechts hier en daar is er iemand die de toestand psychologisch moeilijk verwerkt en nog niet echt functioneert. ‘Nou se wozo’ (wij zijn buigzaam) zegt het spreekwoord, maar je kan niet blijven incasseren zonder gevolgen.

Een aantal organisaties heeft er vooral activiteiten bijgenomen, genoodzaakt door de noden van hun doelgroep en het domein waarin ze werken. Sommige werken mee of organiseren de ondersteuning van gemeenschappen in problemen. Ze zorgden voor tenten, drinkbaar water, gezondheidszorg, zaaigoed en werktuigen. Zo is ITECA de motor voor de bouw van 1700 waardige woningen in Gressier in de komende maanden. Andere mensenrechtenorganisaties, zoals POHDH, volgen het reconstructieproces op de voet op: wat wordt er gedaan en niet gedaan, gezegd en niet gezegd. Zij volgen de werking van de kampen op, klagen de mistoestanden en de seksuele geweldpleging op vrouwen en jonge meisjes aan.

De partnerorganisaties hebben niet zomaar hun activiteiten hernomen of uitgebreid. Hun inzet is een stil protest tegen al die internationale organisaties en grote NGO’s, die de ganse noodhulp en heropbouw zomaar denken te kunnen organiseren op eigen houtje. Zonder overleg met de lokale organisaties, zonder consultatie van de civiele maatschappij. Ook al is die civiele maatschappij misschien niet héél sterk georganiseerd, ze is op het terrein en kent haar volk. Ze weten hoe het moet en kan veranderen.

Mooi is dat er nieuwe initiatieven groeien en organisaties elkaar vinden voor samenwerking. Zo is er het initiatief ‘Ayiti Kale Je’ (Haïti kijk uit!) waarin verschillende organisaties uit de sociale communicatie samenwerken om de heropbouw op te volgen.
De 4 organisaties die basisorganisaties, zoals de boerenorganisatie Tèt Kole, omkaderden, groeiden aan tot 7. De directeurs overleggen over een intense samenwerking en willen een nieuw kantoorgebouw waarin ze met hun 7 organisaties kunnen intrekken. Op deze manier kunnen ze materieel efficiënter, maar ook inhoudelijk met meer synergie en complementariteit samenwerken.

Deze partnerorganisaties zijn de rots in de branding. Wanneer de internationale organisaties het land verlaten, zullen zij hun doelgroepen met meer kracht en capaciteiten begeleiden. Het verhaal van een ‘Ander Haïti’ baant zijn weg… traag, voor ons té traag, maar zeker.

Rhoddy Petit
16 december 2010

Meer artikels uit deze rubriek