Haïti, 14 maand later. Is het nog steeds redden wie zich redden kan?

U moet minsten één trefwoord met 3 of meer karakters opgeven.

Op 11 januari 2010 leefden de meeste Haïtianen al in precaire omstandigheden en had de zwakke staat zijn burgers al volledig in de steek gelaten. De aardbeving van 12 januari trof dan ook een structureel zeer kwetsbare massa. De vele slachtoffers hebben naar lichaam en geest het gebrek aan medeleven van hun eigen leiders, ja zelfs hun totale onverschilligheid, moeten ervaren.

Veertien maanden later zijn de geslagen wonden nog steeds wijdopen, ze kunnen niet genezen omdat er geen uitzicht op verandering is. De hoop, het laatste toevluchtsoord voor de Haïtiaanse verschoppelingen, verkruimelt langzaam maar zeker en maakt plaats voor gevoelens van leegte en opgekropte woede.

Volgens specialisten in geestelijke gezondheidszorg wordt na traumatische gebeurtenissen slechts een klein gedeelte van een bevolking getroffen door zware psychische stress. Het blijft echter wel aangewezen dat men zo snel mogelijk psychosociale bijstand aanbiedt, zodat de slachtoffers terug in staat worden gesteld om in hun basisbehoeften te voorzien en aldus weer de controle over hun eigen leven in handen kunnen nemen.

De traumatische gebeurtenissen hebben zich echter opgestapeld voor de getroffenen van 12 januari. Er kwam maar geen adempauze; er kwamen wel slechte weersomstandigheden, de cholera en de tumultueuze presidentsverkiezingen. Toch had men de indruk dat het volk stand hield. “N’ap boule”, zegden de mensen. Ze gingen er net niet onderdoor.

Reeds in februari 2010 werd door de faculteit humane wetenschappen van de Haïtiaanse Staatsuniversiteit een vier maanden durend psychosociaal hulpprogramma opgestart. Dit was blijkbaar de enige hulp die via een overheidsinstelling aan de slachtoffers van Port-au-Prince is geboden. Zonder financiële steun hebben de studenten en professoren van de afdelingen psychologie en maatschappelijk werk zich toen solidair getoond met de geteisterde gemeenschap.

Aan de andere kant hebben heel wat ngo’s in de eerste fase na de ramp zich beijverd om ook psychosociale bijstand te verlenen. Dit gebeurde echter een beetje te pas en te onpas, omdat er geen coördinatie kwam vanuit de Haïtiaanse staat. Nu de urgentiefase voorbij is, komen er weer andere organisaties. Ook zij hebben weer goede bedoelingen, maar ongelukkiglijk genoeg wordt men thans met uitingen van posttraumatische stress geconfronteerd die een meer gespecialiseerde en gestructureerde benadering vereisen. Dergelijke structuur rond geestelijke gezondheidszorg was en is op Haïti echter nauwelijks aanwezig.

Men stelt er zich mee tevreden om voortdurend te verwijzen naar de zogenaamde ‘veerkracht’ van de bevolking die nog steeds in mensonwaardige omstandigheden in tentenkampen leeft. Maar specialisten, in die kampen werkzaam, weten wel beter, zij zijn er niet gerust op. De uitzichtloze situatie van de bewoners begint gevolgen te krijgen. Nemen we als voorbeeld het kamp van Corail. Eén jaar na de aardbeving is daar een geweldige toename van zwaar familiaal geweld tegenover vrouwen en kinderen. De familiestructuur lijkt wel totaal in te storten, wat zich bijvoorbeeld uit in een verontrustende stijging van het aantal zwangerschappen bij erg jonge meisjes. Daar lopen nu heel wat ontredderde tienermoeders rond, in een omgeving die nauwelijks aandacht voor hen kan opbrengen.
Maar ook buiten de kampen valt er een spijtige evolutie te signaleren. De houding van plantrekkerij en ‘redden wie zich redden kan’, die vroeger ook al eens in de Haïtiaanse maatschappij voor kwam onder druk van moeilijke levensomstandigheden, zet zich thans enorm door en verdringt het aloude gevoel van samenhorigheid. Er komt meer en meer overlevingsindividualisme.

Vele Haïtianen valt het trouwens zwaar om nu te moeten leven in volledige afhankelijkheid van allerhande humanitaire hulporganisaties. Ze voelen zich in hun waardigheid aangetast en vernederd.

Toch zijn er kleine lichtpunten. Psychologen hebben zich gegroepeerd om een centrum voor psychosociale interventie en studie op te richten. Het ministerie voor volksgezondheid gaat met nationale, maar vooral met internationale actoren eindelijk werk maken van een nationaal plan voor geestelijke gezondheidszorg. Actie is nodig. Er valt nu echt geen tijd meer te verliezen!

Jean-François Lenz vertaling: Paul De Wolf
21 april 2011