Haïti, een jaar na de aardbeving

U moet minsten één trefwoord met 3 of meer karakters opgeven.

Perspectieven voor de internationale humanitaire hulp bij natuurrampen en de rol van bestuur (governance) inzake heropbouw en ontwikkeling. De Canadese Overheid, de Europese Unie en Egmont (Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen), in samenwerking met de Ambassade van Haïti en de Vertegenwoordiging van Haïti bij de Europese Unie organiseerden een conferentie met bovenstaande titel in het Egmontpaleis in Brussel. De organisatie van de Francofonie organiseerde op 23 februari 2011 een fototentoonstelling in de marge van het gebeuren. De EU en Canada speelden een actieve rol in het Haïti van na de aardbeving en trachtten hun acties te coördineren. Eventueel zouden in Parijs, Madrid en Den Haag gelijkaardige evenementen worden georganiseerd.

Doel en organisatie van de conferentie

Doel van deze conferentie was om de internationale humanitaire interventie na de verwoestende aardbeving in Haïti tegen het licht te houden en er de lessen uit te trekken voor de aanpak van de noodhulp bij helaas niet te vermijden grote natuurrampen in de toekomst. Uitwisseling tussen de Haïtiaanse en internationale spelers om het Haïtiaanse volk te helpen bij het uitbouwen van een betere toekomst stond eveneens hoog op de agenda. Daarom was ook breed uitgenodigd en er waren ruim 200 mensen ingeschreven. Politici en ambtenaren van Canada en de EU, maar even goed medewerkers van noodhulp- en ontwikkelingsorganisaties en geïnteresseerden uit de onderzoekswereld, studenten en professoren. Ook enkele leden van het Vlaams Haïti Overleg, zijn Franstalige tegenhanger Plateforme Haïti.be en de Coördinatie Europa Haïti waren present.

De conferentie werd zeer strak geleid, wat ook nodig was gezien er per onderdeel enkele inleiders waren, die ook een introductie kregen en verder waren er panelleden en discutanten. Daarnaast waren ook nog enkele toespraken van o.a. Minister Steven Van Acker. Dit leidde ertoe dat er weinig ruimte was voor discussie en voor vragen uit het publiek. Opvallend punt was de beperkte en onevenredige aanwezigheid van Haïtianen zelf onder de panelleden en discutanten. Nauwelijks twee ambtenaren uit de Haïtiaanse administratie, slechts één vertegenwoordiger uit het Haïtiaanse middenveld, wat voor CoEH aanleiding was om een motie te verspreiden waarin deze symbolische ondervertegenwoordiging werd aangeklaagd. Noch de Haïtiaanse regering, noch het Haïtiaanse volk is daadwerkelijk geholpen, als zijn legitieme vertegenwoordigers op afstand worden gehouden bij de processen van humanitaire hulp en heropbouw van het land.

De internationale en Europese interventie in Haïti

De eerste sessie behandelde de internationale en Europese aanpak van natuurrampen waarbij de actuele humanitaire situatie van Haïti als voorbeeldgeval werd ontleed.
In eerste instantie vonden de grote internationale hulporganisaties van de VN, de EU, de VS en Canada dat men het alles samen niet slecht had gedaan, maar dat alles natuurlijk beter kan. Vooral het feit dat de eerste hulpgoederen met de eerste reddingsteams binnen de 24 uur na de ramp ter plaatse waren, werd als krachttoer benadrukt, en dat was het natuurlijk ook wel. De enorme toeloop van grote en ook veel kleine organisaties zonder ervaring in Haïti maakte de coördinatie tot een onmogelijke klus. De VN-organisaties nemen bij dergelijke rampen de coördinatie op zich en proberen de aangeboden hulp te organiseren per cluster, specifiek voor huisvesting, medische zorg, water, voedselhulp…. Normaal nemen ook de regeringsdiensten van het getroffen land hier een sterke rol in op, maar aangezien nu net Port au Prince zwaar getroffen was, was dit een bijkomende moeilijkheid. Er werd trouwens opgeroepen om snel te investeren in deze capaciteit van de Haïtiaanse overheid, gezien de rampgevoeligheid van Haïti met bijna jaarlijks terugkerende orkanen en latent gevaar voor aardbevingen. Sommigen stelden nu net het clusterprincipe in vraag omdat de coördinatie binnen de specifieke clusters wel goed liep, maar er dan weer te weinig interactie was tussen de clusters onderling.

Een bemerking van EU zijde en waar ook veel ongenoegen rond leeft bij de Haïtianen, was het totale gebrek aan overleg en samenwerking met de locale Haïtiaanse organisaties. Zij kennen het terrein, maar door gebrek aan ondersteuning konden zij niet de hulp bieden, waar ze normaliter toe in staat waren, een erg frustrerende realiteit. Er blijft ook nog een te groot onderscheid tussen de fasen van noodhulp en heropbouw, vond men, en er werd dan ook gepleit om de heropbouw zo snel mogelijk op te starten naast de noodzakelijke noodhulp. Het direct investeren in tewerkstelling via kleine bedrijven kan bijdragen tot een snellere heropbouw.

Een terloopse opmerking was dat de heropbouw in Haïti eigenlijk niet achter loopt bij andere grote rampen als de Tsunami en aardbevingen in Irak en China. Wellicht klopt dat, maar heeft het ongeduld van waarnemers ook veel te maken met het gebrek aan perspectief, vooral bij de honderdduizenden mensen in de tentenkampen.
Een gedreven interventie was er van Michaëlle Jean, UNESCO vertegenwoordigster voor Haïti, iemand van Haïtiaanse origine, die carrière maakte in Canada: ze onderstreepte de noodzaak van algemeen onderwijs, publiek en kosteloos, in het belang van het land. Ze brak een lans om te focussen op de talenten en de kwaliteiten van de Haïtianen en het niet voortdurend te hebben over de ‘buigzame of elastische Haïtianen’, wat volgens haar zou suggereren dat Haïtianen voorbestemd zijn voor rampen en ongeluk. Met Lambi en VHO kunnen we mevrouw Jean daar volmondig in bijtreden, alleen blijft de vraag: welk onderwijs?

Goed bestuur belangrijk bij heropbouw

In de namiddagsessie boog men zich vooral over de rol van ‘bestuur’, governance, in het proces van heropbouw in Haïti. Bestuur als essentieel ingrediënt bij de heropbouw, de ontwikkeling en de toekomstige welvaart in Haïti. Men bekeek de relatie tussen bestuur en heropbouw in falende staten.
Het Comité Intérimaire de Relèvement d’Haïti (CIRH) met Bill Clinton als medevoorzitter naast de Haïtiaanse Eerste Minister, dat de heropbouwprojecten coördineert, moet ook echt werk maken van de versterking van de bestuurscapaciteiten van de nationale ministeries. Gebeurt dit niet, dan zal het CIRH als het ware boven de ministeries gaan functioneren. Het feit dat deze tijdelijke structuur ook aan geen enkele parlementaire controle onderworpen is, bevestigt voor veel Haïtianen dat hun land praktisch onder voogdij staat van CIRH en van MINUSTAH.

De competitie tussen de grote donoren moet stoppen, vindt men, de onderlinge coördinatie en de resultaten bij de heropbouw zijn immers veel belangrijker dan de zichtbaarheid van de donoren. Eveneens een element van competitie tussen de donoren vormen de salarissen die worden betaald. De mensen trekken vaak naar waar best betaald wordt en daar worden organisaties uit het Haïtiaanse middenveld en de Haïtiaanse overheid de dupe van.

De dringende nood aan hervorming van het eigendomsrecht en het kadaster, zonder dewelke een duurzame heropbouw onmogelijk, is blijft een pijnpunt,. Een heropbouw die mee aan de hoge nood aan tewerkstelling kan beantwoorden. In dit verband pleiten sommigen om het Plan National de Relèvement d’Haïti (PNRH) niet te herschrijven, het is nochtans vooral een schrijfsel van buitenlandse experts zonder enige consultatie van het Haïtiaanse middenveld en zonder de aspiraties van de Haïtiaanse jongeren te bevragen. Door het onverkort uit te voeren hoopt men wel de heropbouw niet te laten kapen door de aan gang zijnde politieke processen van verkiezingen en latere regeringsvorming.

Andere waarnemers echter vinden dat de internationale gemeenschap heeft bijgedragen in een verzwakking van de civiele maatschappij door deze niet te betrekken bij het PNRH. Dit Plan moet volgens hen dus herzien worden en wel met deelname van het middenveld. Diezelfde waarnemers vinden dat het mandaat van de CIRH ook niet moet verlengd worden omdat het voor hen een niet effectief noch vertegenwoordigend orgaan is. Een professor van Haïtiaanse origine stelde dat volgens de politieksociologische definitie Haïti geen staat is omdat hij nooit zijn burgers heeft gediend. Nu is het een transnationale staat, bestuurd door de internationale gemeenschap, wat die staat dan zelf ook weer verzwakt. De civiele maatschappij moet niet enkel geconsulteerd worden, vindt hij, ze moet ook betrokken worden in de reconstructie zelf en de supervisie van het proces ervan.

Interessant aan de bijeenkomst was om veel belangrijke spelers eens samen te zien, het zijn vooral de mensen die de verder toekomstige ontwikkelingen rond Haïti in hoge mate bepalen. Dat daarbij weinig Haïtianen betrokken zijn, zegt wat over de aanpak. Maar met een zo vol programma onder een strikte moderatie kon er weinig debat zijn en echte conclusies werden ook al niet getrokken. Het ging vooral om meestal zeer voorzichtige standpunten en overwegingen.

Rhoddy Petit
21 april 2011

Meer artikels uit deze rubriek