Een rijk en divers maar miskend en gefrustreerd middenveld in Haïti

U moet minsten één trefwoord met 3 of meer karakters opgeven.

Op vrijdag 22 juni en naar aanleiding van het bezoek aan België van Mgr. Decoste, bisschop van Jérémie en hoofd van Caritas Jérémie wijdde Caritas Internationaal een ‘Midi de Caritas’ aan ‘Haïti en de wederopbouw’. Mgr Decoste lichtte de wederopbouw toe vanuit een regionaal perspectief in het departement Grand d’Anse. Jan Heuts coördinator van de noodhulp van Caritas Internationaal bracht een beeld van de humanitaire situatie en de lopende projecten met de partners van Caritas Internationaal. Rhoddy Petit, coördinator van het Vlaams Haïti Overleg, had het over het Haïtiaanse middenveld en haar rol bij de heropbouw en in de toekomst. In dit stuk komt deze laatste interventie aan bod.

Een toenemend en terecht onbehagen

Ondanks de immense solidariteit, de vele initiatieven en acties van heropbouw van de zwaar door de aardbeving van 12 januari 2010 geteisterde departementen Ouest (PaP), Nippes (Miragoâne) en Sudest (Jacmel) is er veel ongenoegen en frustratie in Haïti over die heropbouw. Dat heeft met een aantal aspecten te maken.

Er is een toenemend onbehagen over alle mogelijke beslissingen die boven de hoofden van de Haïtanen worden genomen. Er is enerzijds de forse aanwezigheid van MINUSTAH (Mission des Nations Unies pour la Stabilisation d’Haïti), die voor interne veiligheid moet zorgen. Maar deze vreemde troepen kwamen meermaals in opspraak door een aantal vergrijpen en blijken ook aan de basis te liggen van de cholera-epidemie, die bovenop de aardbeving kwam en ook duizenden slachtoffers maakte. Anderzijds is er de CIRH (Comité Intérimaire pour la Réconstruction d’Haïti), een orgaan specifiek opgericht om de miljarden toegezegde hulp voor de heropbouw in goede banen te leiden. Helaas komen de projecten om vele redenen letterlijk te traag uit de grond en ontsnapt dit weinig transparant werkend orgaan aan elke democratische controle. Al is het Haïtiaanse parlement nu ook niet direct een toonbeeld van transparantie en gedegen democratie, voor de mensen in Haïti betekent MINUSTAH en CIRH een leven onder voogdij. Bovendien is het gebrek aan verbetering van hun situatie uitermate frustrerend, ondanks de miljarden beloofde en toegestroomde euro’s en dollars.

De recente machtswissel Préval – Martelly, na moeizame en frauduleuze verkiezingen, creëert ook weinig perspectief door het aanhoudend gekibbel tussen de executieve, president en regering, en het legislatieve parlement. Dit gekibbel werd nader verklaard door de Haïtiaanse getuige Madeleine Casimir, onlangs op bezoek in België. Met deze president en regering ligt de macht opnieuw bij de traditionele elite van het land, terwijl in het parlement de gekozenen vooral uit het volk komen. Tenminste, de parlementsleden meten zich deze houding aan, al is dit in hun praktijk niet echt merkbaar. Een oplettend waarnemer merkt een aantal nieuwe en frisse gezichten op bij die traditionele elite. Nochtans lijkt een rationele samenwerking de enige mogelijkheid om het land uit dit diep dal te laten opklimmen.

De media belichtten zo sterk de internationale hulp en aanwezigheid bij de aardbeving dat de inspanningen van lokale mensen niet ter sprake kwamen. Het komt over alsof het Haïtiaanse volk een zootje ongeregeld is, ongeorganiseerd, geen structuren kent of geen middenveld heeft. De illusie wordt gewekt dat alles voor hen moet worden gedaan met een MINUSTAH en een CIRH bijvoorbeeld, terwijl veel Haïtianen trappelen van ongeduld en vooral frustratie om de dingen zelf aan te pakken en dit ook doen, maar buiten de schijnwerpers dan. Zo werden vlak na de aardbeving duizenden mensen vanonder het puin gehaald en verzorgd zonder veel hulpmiddelen, maar uiteraard kregen de paar geredde mensen door ons B-Fast team alle aandacht in onze pers. Of de mensen die daklozen in huis namen en hun beperkte voedselreserve met hen deelden, of organisaties die voedsel naar ziekenhuizen brachten, of het privéziekenhuis dat noodhulp aan slachtoffers bood en dan zelf bankroet ging, het kreeg allemaal heel weinig aandacht. De Haïtiaanse organisaties kregen ook nauwelijks toegang tot de crisiscoördinaties van de verschillende VN clusters (huisvesting, water, voedsel, medische zorg,..) vlak na de aardbeving. Hun terreinkennis en sectorervaring werden door de internationale noodhulporganisaties grotendeels genegeerd.

Een rijk en divers middenveld

De organisaties van de ‘sosyete sivil’, zoals het middenveld in het Creools heet, vormen een heel brede waaier. Er zijn verschillende organisaties actief rond mensenrechten. Ze sensibiliseren, vormen, klagen de straffeloosheid aan en streven naar een goed functionerende justitie, één van de drie steunpilaren van een functionele rechtsstaat. Het gaat om organisaties zoals de Commission Nationale de Justice et Paix (CNJP), Réseau National de Défense des Droits Humains (RNDDH), om de nationaal werkende te noemen. Samen met andere zijn ze ook actief in het dynamische Plateforme des Organisations Haïtiennes des Droits de l’Homme (POHDH). Een aantal organisaties werken in op de relatie Dominicaanse Republiek – Haïti, die niet zo probleemloos is door vormen van racisme in het buurland welke vaak aanleiding zijn tot deportatie. GARR (Groupe d’Appui aux Réfugiés et Rapatriés) is hier zeker niet de enige, maar wel bekendste organisatie.

Een aantal organisaties verwerpen het voor Haïti verarmende neo-liberaal model. Hun links progressieve leiders pleiten voor alternatieve vormen van ontwikkeling en ontwikkelen ook pilootprojecten in verband met rurale ontwikkeling, economische initiatieven, vormingswerk. Enkele organisaties zijn ITECA, PAPDA, SOFA, ICKL, e.a.. Ze zijn daarbij ook vaak inspirerend en ondersteunend voor de boerenbewegingen in Haïti en enkele met nationale uitstraling zoals MPP (Mouvement Paysans de Papaye) of Tèt Kole, maar ook voor ontelbare lokale en regionale boeren en boerinnenorganisaties. In een land waar ruim 60% nog steeds op het platteland leeft van landbouw, is dit een belangrijke sector binnen het middenveld. Er zijn ook tal van Niet Gouvernementele Organisaties (NGO’s), die lokale boeren en boerinnenorganisaties in technische thema’s ondersteunen, maar ook organisatorische begeleiding bieden. Denken we aan organisaties als KPNFP rond microfinanciering, GADRU rond ecologische landbouw, IRATAM rond koffieteelt en coöperatievorming, GRAMIR rond organisatieversterking.

Er zijn ook een aantal instituten voor studie en onderzoek, zoals CRESFED (Centre de Recherche et de Formation Économique et Sociale pour le Développement) met de befaamde sociologe Suzy Castor of CERESS (Centre d’Etudes et de Recherches en Sciences Sociales et Pénales), instellingen die voor het Haïtiaanse middenveld onontbeerlijke partners zijn om hun visies en beleid bij te stellen.
Vrouwenorganisaties hebben ook een sterke positie verworven in het Haïtiaanse middenveld en ijveren voor sociale rechtvaardigheid en vrouwenrechten. Denken we aan SOFA (Solidarité des Femmes Haïtiennes) en Kay Fanm. Bij CPFO (Centre de Promotion des Femmes Ouvrières), is er ook een duidelijk syndicaal luik. De syndicale sector is beperkter, maar er zijn ook organisaties met o.a. ook het strijdvaardige Batay Ouvriyè, dat vooral samenwerkt met arbeiders en arbeidsters in de industriële parken van de vrijhandelszones.
Ook rond communicatie zijn een aantal organisaties erg actief, denken we aan SAKS (Société d’Animation et de Communication Sociale), een organisatie die het opzetten van lokale gemeenschapsradio’s begeleidt en bestaande gemeenschapsradio’s adviseert en ondersteunt. REFRAKA (Rezo Fanm Radyo Kominotè Ayisyèn) is een organisatie die vrouwen stimuleert en vormt voor mediawerk. AlterPresse is dan weer een alternatief netwerk voor informatie met een druk bezochte site door Haïti-geïnteresseerden.

We kunnen het ook niet over het Haïtaanse middenveld hebben zonder de ganse beweging van “Mouvement Ti Legliz” (TKL), te noemen, een basisbeweging binnen de katholieke kerk, die begin jaren tachtig zich sterk ontwikkelde en een belangrijke mobiliserende factor was bij het verdrijven van dictator J.C. Duvalier begin ’86. De basisgroepen in de kerk worden nu ‘communautés missionnaires’ genoemd. Hun kerkelijk karakter wordt sterker benadrukt. Toch zijn ze verschillend van charismatische groepen. Vooral in Port-au-Prince en in het bisdom Jeremie zijn nog wel authentieke TKL. Ze hebben ook een nationale coördinatie, maar nemen geen publieke stellingen in.

Initiatieven van interne samenwerking

Tenslotte zijn er ook een aantal overlegstructuren te noemen. Zij willen de grote diversiteit aan actoren proberen samen te brengen, om de inspraak en de participatie van het middenveld te vergroten, en om een meer algemeen gedragen beleid af te dwingen bij de overheid. Het Initiative de la Société Civile (ISC) ontstond de facto in ’99 en was vooral een protestbeweging tegen president Préval’s toenmalig bestuur. Het ISC bleek vooral gestuurd vanuit de Chambre de Commerce et d’Industrie d’Haïti (CCIH), wel een sector binnen de civiele maatschappij, maar die ook veel argwaan opriep bij de andere sectoren. CONHANE is een initiatief naar aanleiding van de consultaties ter voorbereiding van het EU beleid t.a.v. ACP-landen na 2004. CRAN (La Cellule de Réflexion et d’Action) is een initiatief van de Jezuïeten, opgezet na de aardbeving en wil een inclusieve en open ruimte zijn, die ideeën en alternatieve voorstellen aanbrengt rond het heropbouwproces in Haïti. Eind 2011 verlieten de stichtende Jezuïeten echter het overleg en CRAN werkt nu verzwakt verder. En zo zijn er nog een aantal overlegstructuren gegroeid zoals in 2000 bijvoorbeeld CNO (Comité National d’Observation des Elections), welke een vertegenwoordigende rol van het middenveld opnemen.

Algemeen kan men van de genoemde organisaties zeggen dat ze een visie en een missie hebben, een project voor hun regio, hun doelgroep of hun land ‘Haïti’. Ze spreken zich ook uit en brengen standpunten naar voor. De diversiteit is evenwel groot en er blijken voorlopig geen figuren of organisaties te zijn die de consensus in de diversiteit kunnen belichamen of daarvoor voldoende charisma hebben. De verdeeldheid helpt het land dan ook niet door zijn crisis(sen) en sommige sectoren spelen in op deze verdeeldheid om aan de macht te komen of die te behouden.
Verontrustend zijn een aantal actoren van het middenveld, die zich minder of niet laten horen. We denken dan aan het Initiative de la Société Civile. Zit hun project dan misschien op koers nu en hebben ze dan ook weinig bedenkingen tegenover het huidig bestuur van het land? Anderzijds voelt zeker niet iedereen in het middenveld zich gemakkelijk met de positie die ISC zich toemeet (of toegemeten krijgt) als woordvoeder van dat Haïtiaanse middenveld. Ook de politieke partijen laten weinig van zich horen. Zijn ze dan enkel actief op momenten van verkiezingen? Hebben ze een maatschappelijk project of zijn ze slechts een instrument om hun volgelingen en supporters te mobiliseren bij verkiezingen?

En de toekomst?

Het is een beetje waanzinnig om in Haïti dé slachtoffers te onderscheiden. In Haïti is wel 85% van de mensen slachtoffer … wie is meer slachtoffer? Hij die in de krottenwijken nooit een deftig dak boven zijn hoofd had, of zij die een comfortabel huis verloor tijdens de aardbeving? Zij die een uitgeput stukje land tegen de berghelling probeert te bebouwen om te overleven en het geluk heeft dat mango’s overvloedig vruchten dragen, of de straatventer die met zijn winkeltje op zijn hoofd rond zeult in de hoofdstad voor een habbekrats en zijn mango’s nog moet kopen?
Het is misschien een lange weg, maar wellicht de enige, met name die van het ‘verder bouwen aan het in de jaren ‘80 gestarte democratisch project’. Het verwezenlijken van de rechtsstaat, weg met de straffeloosheid van strafrechtelijke, politieke en witte boordencriminaliteit, is daarbij een belangrijk element. Ook het organiseren van goed bestuur, niet eenvoudig, want in een land als Haïti is zo ongeveer alles even prioritair.Tevens een beleid van decentralisering uitvoeren waarbij eindelijk het binnenland gaat meetellen en de boeren en boerinnen de noodzakelijke omkadering krijgen en hun gemeenschappen ontwikkelen tot bewoonbare plekken. Het is daarom nodig dat het middenveld zich verder inzet, zich specialiseert, onderzoek en actie uitwerkt om haar capaciteiten te verbeteren, haar ervaringen te systematiseren en creatiever te worden in haar oplossingen. De staat moet opgebouwd worden, niet afgebouwd, en dat kan enkel door samenwerking op een positiefkritische manier, niet door een republiek van NGO’s te stimuleren zoals Haïti nu wel eens genoemd wordt. Een sterkere overheid moet zorgen voor stabiliteit, niet om het even welke stabiliteit. Een democratie is zoveel meer dan verkiezingen organiseren. Haïti moet streven naar het opnieuw verwerven van zijn autonomie en soevereiniteit, zowel politiek als economisch. Het is duidelijk gebleken dat wilde liberalisering en privatisering de Haïtiaanse taart enkel deden krimpen en de stukjes voor veel sectoren te klein werden om iets substantieels te doen. Dit inzicht moet in een eigen beleid worden gegoten voor en door Haïti.

Vorming en educatie zijn heel belangrijke elementen in dit proces. Maar welke vorming in Haïti? Als 81% van de universitair afgestudeerden naar het buitenland migreert, voor wie vormt men dan jongeren? Is het gezond een economie voor een groot stuk te baseren op gastarbeid? Veel kinderen worden mits bovenmenselijke inspanningen van de ouders toch naar school gestuurd, maar vervallen in analfabetisme wanneer ze na een paar jaar omwille van geldgebrek de school al moeten verlaten. Welke ontwikkeling heeft men voor ogen? Maakt men de keuze voor een kleinschalige intensieve familiale landbouw als bron van ontwikkeling of kiest men voor de agro-industriële trends? Voedsel verbouwen en soevereiniteit opbouwen, of biobrandstoffen produceren en samen met het voedsel de totale afhankelijkheid invoeren?

Als het de bedoeling is zoveel mogelijk mensen in Haïti een waardig bestaan te laten opbouwen, zijn de mogelijkheden beperkt. De traditionele samenwerking van het Haïtiaanse middenveld en de Noordelijke NGO’s zal zich in dit project moeten inpassen. Zowel onze noordelijke ontwikkelingssector als de partners in het Haïtiaanse middenveld hebben nog een weg te gaan. Teveel middenveldorganisaties in Haïti zijn nog te sterk opgebouwd rond en afhankelijk van al dan niet sterke stichterfiguren. Ze passen zelf niet altijd de transparante en democratische principes toe, die ze wel eisen van de overheid. Ze aarzelen vaak om samen te werken met collega’s uit schrik voor positieverlies. De noordelijke NGO’s dringen nog te vaak hun modellen op die niet altijd geschikt zijn in de Haïtiaanse context. Een open geest van gezamenlijke lering en uitwisseling over wat we samen ondernemen en een kritische reflectie op de resultaten houdt zeker een betere toekomst in.

Rhoddy Petit
3 september 2012

Meer artikels uit deze rubriek